Terugblik René de Reuver op Den Haag Terugblik René de Reuver op Den Haag
‘In de kerk is het niet eenvoudig nieuwe wegen in te slaan. Toch is dat nodig.’ René de Reuver maakt de balans op van zijn werk in Moerwijk. Hij is boegbeeld van de landelijke Protestantse Kerk geworden.

René de Reuver, tot deze zomer predikant van de Protestantse Gemeente in Den Haag, heeft zijn wijk (Moerwijk en Laak) verruild voor een landelijke functie. Hij is nu scriba (secretaris) van de Protestantse Kerk in Nederland. Aan tafel in het stiltecentrum van de Marcuskerk kijkt hij met genoegen terug.

Hij signaleert twee bewegingen. Enerzijds een verschrompeling van het eeuwenoude instituut, anderzijds de groei van kleine veelbelovende plekken. De grandeur heeft plaats gemaakt voor kwetsbaarheid. ‘Ik ben daar niet zo treurig over. Die verandering hoort bij de dynamiek van de grote stad. Vroeger was bijvoorbeeld de Marcuskerk een vrij gesloten geheel. Nu is het een waardevolle ontmoetingsplaats voor tal van mensen, waar de accu weer opgeladen wordt. Ik ben daar enthousiast over.’

Buddypastoraat
‘Mijn hoop voor de kerk wordt mede gevoed door de toename van het aantal jongeren. Al zijn het vaak drukbezette mensen, als je hen ruimte geeft komen ze wel. De voorzitter van de Marcuskerk is nog geen vijfendertig. Leeftijdsgroepen mengen zich niet automatisch. Daarom zijn we gestart met het buddypastoraat: jongeren adopteren ouderen. Anderzijds vergeten we de ouderen zeker niet. Soms is er een kerkdienst met gouwe-ouwe-liederen. Als je kerk wilt zijn voor een brede groep, moet je differentiëren. Het evangelie is er weliswaar voor iedereen, maar je bereikt die iedereen niet automatisch. Gelukkig heeft de Geest meer pijlen op zijn boog. Onze pionier in Laak, Petra de Nooij, werkt met mensen in een huiselijke omgeving. De Marcuskerk heeft de Kinderwinkel ontwikkeld. De dertigers vormen een netwerkkerk en eten samen. En bij elkaar, in de gezamenlijkheid, zijn we kerk.

Vanuit onze stadswijk is de gemeenschappelijke Protestantse Gemeente altijd ver weg geweest. Er was bijvoorbeeld nauwelijks belangstelling om naar de visiedag van de PGG te gaan, afgelopen voorjaar. Hoewel ik die terughoudendheid goed begrijp, heb ik altijd gepleit voor het geheel. Het zicht op bredere verbanden is belangrijk. De reorganisatie van de PGG was absoluut nodig. Alleen nam de ingezette herstructurering de wijkgemeenten nauwelijks mee. De maatregelen die zijn genomen – kerken dicht, minder predikanten – kwamen niet op vanuit een gedragen inspirerende visie, maar uit financiële noodzaak. Het is wel bijzonder dat nu, nadat gebouwen zijn afgestoten, wijken zijn samengevoegd en predikantformaties verminderd, alsnog visie wordt ontwikkeld. Maar goed: beter laat dan nooit.

Duurzaam pionieren
In de kerk is het vaak niet eenvoudig nieuwe wegen in te slaan. Dat zien we nu bij de vraag of en hoe de pioniersplaatsen, die waardevol zijn gebleken, behouden kunnen blijven. Hoe geef je als PGG vorm aan duurzaam pionieren? Hoe pas je dit in in het bestaande? Hoe moet dat bijvoorbeeld met tijdelijke contracten? Iets nieuws past vaak niet in een bestaand systeem. Toch zijn regels niet de maat der dingen. De regel is het stokje naast de plant, bedoeld om de plant te laten opgroeien en gedijen.’

Een laatste vraag voor de man die de komende vijf jaar het boegbeeld van de landelijke kerk is. Heeft het christendom anno 2016 nog werfkracht? De Reuver hoeft niet lang na te denken. ‘Jazeker. In de samenleving worden mensen op zichzelf teruggeworpen. De kerk is een plaats waar het leven in een breder perspectief gezet wordt en waar je identiteit wordt gevormd. In contacten met ambtenaren, woningbouwcorporaties en welzijnswerkers horen we vaak waarderende woorden. Jullie denken als kerk niet vanuit een zakelijk belang, maar jullie hebben hart voor mensen. De kerk is niet morgen plotseling verdwenen. En voor de meeste migranten is religie vanzelfsprekend. Daardoor heeft de kerk in de stad een streepje voor op seculiere organisaties. De waardering is groot. Dat de kerk achterhaald zou zijn, horen we zelden of nooit.’

Bron: www.kerkindenhaag.nl
terug